Bijna op pad

Fishingbay Marina staat er op de witte pick-up truck die achter Charlie II stil houdt. Lee steekt zijn hoofd door het zijraam. “Everything oké? The mast back on?” Yep, bij ons is alles oké en de mast staat weer fier rechtop aan boord. Lee heeft wél een probleem. Van de drie broers die samen eigenaar zijn van Deltaville Boatyard, Fishingbay Marina en Stingray Point is hij verantwoordelijk voor het in en uit het water halen van de boten en de stalling op de kant. Dagelijks doet hij een rondje over de werf en inventariseert welke boten er verplaatst moeten worden. De ”Nimbus” die schuin voor ons ligt, wil graag het water in. Voor de drie jonge kinderen in het gezin die sinds een dag terug aan boord zijn, is het leven op hoogte te gevaarlijk maar Charlie II blokkeert de doorgang. We overleggen. Ons onderwaterschip is klaar evenals het dek. De nieuwe verstaging is gemonteerd en moet alleen nog afgesteld worden een karwei dat pas kan worden gedaan als ons schip in water ligt. De resterende kleine klussen variërend van een stootdopje plakken op de binnenkant van de toiletdeur tot de afwerking van de nieuwe rand om het zwemplateau hebben geen haast en kunnen ook onderweg gedaan worden. Kortom als Charlie dan toch in de takels moet, kan hij net zo goed nu meteen het water in. We moeten anders over een paar dagen toch.

Begin juli toen we de kant opgingen was het stil op de werf. Het merendeel van de boten lag goed ingepakt te wachten op de terugkeer van hun baasjes. Terwijl Charlie II met een slakkengangetje de werf verlaat, is het er een drukte van belang. Veel boten zijn weer bewoond. Er wordt gepoetst, geschilderd, geschuurd, geboord. Alles wordt in het werk gesteld om zo snel mogelijk te kunnen gaan varen. De georganiseerde tocht naar het zuiden ‘The Salty Dawg rally’ begint al over een week en de buren die mee willen, zijn vanaf Deltaville al een hele dag onderweg om naar het startpunt in Hampton (bij Norfolk VA) te komen. Haast is dus geboden.
Wij doen het nog rustig aan. De wind heeft té sterke pieken en vier maanden op het droge geeft ontwenningsverschijnselen. Onze landbenen moeten weer zeebenen worden, de boegschroef heeft moeite op gang te komen, de ankerlier zit vastgeroest blijkt als we de knop van de afstandsbediening induwen en zoals gewoonlijk na een onderbreking in het vaarritme werkt het log niet zonder Rob’s tussenkomst én dit weekend is er formule 1. Terwijl het de hele dag stortregent hebben wij een hele gezellige middag in de knusse marina-huiskamer genaamd ‘captainslounge’ waar we samen met Edwin en Margo van de Ebijmar naar een winnende Max Verstappen kijken. Tussendoor halen wij vrouwen met de SUV van de marina een afhaalmaaltijd bij de Chinees in het dorp.

Het is niet de enige pauze die we tussen het harde werken door hadden. “Gelukkig”, zou ik bijna zeggen want vaak was het heel moeilijk om tijd te vinden voor iets anders. Het leuke van het werf-leven zijn de contacten met de mensen in je directe omgeving die gaandeweg intensiever worden. We leren Travis en Alex kennen. Beiden jonge gasten die ipv in een huis ieder op hun eigen zeilboot op de werf wonen. We gaan een dag met ze op stap naar een treffen van oude auto’s, boten en vliegtuigen op Hummelfield Airport. Het is een stralende, zonnige ochtend waarop we met enige weemoed herinnerd worden aan ons leven vóór Charlie II wanneer we diverse cobra’s ontwaren tussen de old-timers. ‘s

Middags krijgen we uitleg van Alex over het kweken van oesters als we stoppen bij het bedrijf waar hij werkzaam is. Proeven van deze schelpdieren in het restaurant ernaast doet alleen Alex zelf. Wij zijn niet zulke liefhebbers.

Met onze naaste buurtjes rij ik eenmaal mee naar de Walmart en Aldi in het 20 min. verderop gelegen Gloucester. Amerikanen staan vooraan in de rij als het erom gaat anderen te helpen. Bijzondere dagen worden nogal eens aangegrepen om geld en/of goederen in te zamelen al dan niet gestuurd vanuit een van de vele kerken. Op iedere hoek van de straat is er wel een te vinden. Maar ook zonder sturing bieden ze al snel hulp aan. Wanneer we ons bij de ijzerwarenwinkel hardop afvragen hoe we naar een bepaalde plek kunnen komen zonder auto wordt direct het personeelsrooster doorgenomen en zegt de vrouw vanachter de kassa: “No problem, I can take you there”. En onze buren op de werf willen ons ook overal naar toe te rijden waar ik dus eenmaal dankbaar gebruik van maak. Maar ondanks de vriendelijk aangeboden hulp voelen ons al snel bezwaard en vinden het bovendien prettig om onafhankelijk te zijn. De overige werkonder-brekingen blijven dan ook beperkt tot fietstochtjes naar de supermarkt en hardware store waarmee we meteen 30% van het winkelaanbod in het dorp hebben bezocht.

En dan eindelijk is het zover. Onze vakantie is aangebroken. Zoveel mogelijk grote wegen vermijdend rijden we langs uitgestrekte gele graanvelden en traditionele rode boerenschuren. Door heuvelachtig bosrijk gebied dat sterk doet denken aan de Ardennen en naarmate we dichter bij onze eindbestemming komen langs bossen met meters hoge pijnbomen. Voor een eerste koffiestop belanden we in een antiek-en curiosa winkel waar de klok al lang geleden is opgehouden met tikken. In de vol gestouwde winkel tussen gezelschapsspellen uit de vijftigerjaren, souvenirs uit de Amerikaanse burgeroorlog, singles van reeds lang overleden artiesten, serviesgoed uit over-overgrootmoederstijd, en..,en..,en..,vinden we een plekje om te zitten, koffie te drinken en te smullen van een homemade warme cinnamon roll. De eigenaar knoopt een praatje aan. Hij is nieuwsgierig hoe we zijn zaak gevonden hebben en waar we vandaan komen. Ook de enige andere klant mengt zich in ons gesprek als hij hoort dat we zeilers zijn. Met zijn lichtgekleurde spijkerbroek opgetrokken door bretels over zijn uitpuilende buik, zijn beige houthakkersblouse, bijna witte baard en dito snor past hij perfect bij de tijdgeest en het interieur van de winkel. In het accent van de streek prijst hij het vaargebied aan waar we volgens deze man makkelijk een heel seizoen kunnen doorbrengen. Uit alles blijkt dat hier niet veel vreemden komen en we hebben moeite ons van deze plek los te weken.

We verruilen het platteland voor de drukte van regiostad Waldorf met enorme winkelcentra en hotels. Dan door naar Baltimore waar de ‘heritage walk’ ons voert langs de moderne ‘Inner Harbour’ —het parade paardje van de stad— en door de gerestaureerde Italiaanse wijk. Daar buiten moet nog heel wat werk worden verzet om de stad leefbaar te houden en verpaupering tegen te gaan.


De drie dagen in Mapleshade bij onze vrienden Adri en Joan lullen we wat af. Na een eerdere mislukte afspraak logeren we eindelijk in hun Amerikaanse optrekje. Gevieren bezoeken we het kunstmuseum in het nabijgelegen Philadelphia waarvan de trappen wereldberoemd zijn door opnamen van de film Rocky en we vieren Joans verjaardag. Veel te snel is het tijd om afscheid te nemen. Joan & Adri vliegen terug naar Nederland en wij rijden in een ruk naar Deltaville.

31 oktober. We snappen ineens waarom iedereen zo’n haast heeft om naar het zuiden te varen. Want met de viering van Halloween wordt niet allen het orkaanseizoen afgesloten er wordt ook een tijdperk van koud weer ingeluid en dat voelen we. Zonder overgangsperiode moet de korte broek verruild worden voor een lange. Moeten T-shirtjes verstopt worden onder truien en vesten. Is één paar skisokken niet genoeg om mijn voeten warm te houden. En in de vroege morgen zijn we heel blij dat we een goed werkende kachel aan boord hebben. Het is gedaan met de rust. Het wachten is nog op een nieuwe ankerketting. Maar zodra die er is, hopelijk morgen of overmorgen, gaan wij ook als een speer richting warmere gebieden.